En zo trok ik dinsdag om 14u een bijzonder sexy operatiekleed aan en landde ik in de “wachtkamer”, alwaar ik door twee iets te enthousiaste nieuwelingen (anderhalve week in dienst) werd verwelkomd en waar een infuus zou worden aangelegd.
De twee enthousiastelingen gingen net niet met elkaar in de clinch over wie mij de pre-operatieve enquête mocht afnemen (die naderhand dan ook nog verkeerd en onvolledig bleek ingevuld) en het infuus zou steken. Tot ze mijn aderlandschap zagen, that is.
Uiteindelijk toonde B zich bereid. B was een 21-jarige, pas afgestudeerde verpleger die zichzelf nogal the man vond. Ik zou hem eerder een blaaskaak hebben genoemd, maar aangezien hij de wapens in handen had (de naald dus), hield ik me maar koest en was ik mijn eigen beminnelijke zelf.
B praatte gewoonweg veel te veel, noemde me na iedere zin steeds weer slijmerig “mevrouw” (ik weet dat dat beleefd is, maar I hate that), merkte op dat ik toch ook al 28 jaar was (da’s blijkbaar oud, these days), deed een uitleg over die ene ader die hij wou vermijden omdat daar een of andere zenuw liep die hij maar beter niet kon raken, keek daarna nog een half uur naar mijn linkerarm, praatte nog altijd veel te veel en deed zijn hele leven en studie uit de doeken, om daarna dan toch de ader te nemen die hij eerder als te vermijden had gecategoriseerd.
Ik, nog steeds twijfelend of die operatie wel de goeie keuze was, werd vanbinnen steeds onrustiger en ambetanter, maar hield me stil. En ik vroeg mij af in welke freakshow ik nu weer was beland.
Toen het mij na een discussie over blauwe en groene infuusnaalden ‘n beetje te veel werd (het is niet echt leuk als er over je gepraat wordt alsof je er niet bij bent), vermeldde ik dat mijn huisarts tot nu toe steeds in een keer in een ader was geland met een klein naaldje. The man lachte mijn huisarts, en bij uitbreiding alle huisartsen, uit, om daarna flagrant naast mijn ader te prikken en zich duizendmaal te excuseren. Ik stelde hem gerust (!), zei dat het niet erg was (en meende het ook), maar bedacht dat hij zijn commentaar over mijn huisarts beter voor zichzelf had gehouden.
En toen was het uit met het zelfvertrouwen van the man en kreeg ik zowaar medelijden met hem. Of toch bijna, want tenslotte had hij een gat in mijn arm geprikt. En mij met zijn gekwetter doodzenuwachtig gekregen. Zo spuide hij ongevraagd zijn mening over rugoperaties en zwangerschappen en meende hij dat ik nooit natuurlijk zou kunnen bevallen (hoera hoezee), waardoor ik nog meer aan de operatie twijfelde.
Anyways, hij duwde de naald in handen van een oude rot in het vak en ging over diens schouder leunen wat de oude rot de vraag ontlokte of hij niets beters te doen had, zoals de administratie bijwerken (arme B). Vervolgens nam de oude rot de kleinst mogelijke naald en plantte die zonder twijfelen of dralen in mijn pols.
Dat hij daarbij met mijn bloed smoste, vergaf ik hem terstond. Zo vlak voor een operatie kwam het toch op geen guts meer of minder, dacht ik zo.
